Chloor versus chloride — twee verschillende aanvallers
In de volksmond zijn 'chloor' en 'chloride' uitwisselbaar, maar voor je bevestigingsmateriaal is het verschil cruciaal. Chloor (Cl₂) is het desinfectans dat je doseert. Chloride (Cl⁻) is wat overblijft in het water — en dat is de daadwerkelijke aanvaller op je RVS.
Hoe meer er gedoseerd wordt, hoe meer chloride er accumuleert in het water én in de lucht erboven. Bij zwembaden met intensief gebruik zien we chlorideconcentraties van 250-500 mg/l — ruim boven wat A2-RVS structureel aankan.
De vier faalmechanismen die chloride veroorzaakt
- Putcorrosie: kleine pitjes in het oppervlak die diep doordringen.
- Spleetcorrosie: in spleten en onder afdichtingen waar geen zuurstof komt.
- Spanningscorrosie: scheurvorming onder trekspanning (zie aparte blog).
- Galvanische corrosie: bij contact tussen verschillende metalen (RVS-staal-koper).
Waarom 'A4' niet hetzelfde is als 'veilig'
Veel installateurs gaan ervan uit dat A4 (316/316L) de oplossing is. In de meeste industriële milieus klopt dat ook — A4 is namelijk molybdeenhoudend en daardoor weerbaarder tegen chloriden. Maar in een zwembad is zelfs 316L niet voldoende. Pas vanaf 1.4529 (een superaustenitisch RVS) krijg je een betrouwbare buffer voor decennialange zwembadomstandigheden.





